Achtergrond · Industrialisatie
Sneller, betaalbaar én duurzaam wonen: op weg naar een circulaire waardeketen
De Bouwcampus en Chris Aerts evalueerden het programma Conceptuele bouw en industriële productie. De conclusie: echte versnelling vraagt om een systeemverandering.
Lynn van Norden2 min lezen

Samen met Atto Harsta, transitiemanager bij De Bouwcampus, evalueerde Chris Aerts het programma 'Conceptuele bouw en industriële productie' van het ministerie (nu Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening). De Bouwcampus bracht de conclusies uit in de publicatie 'Sneller, betaalbaar én duurzaam wonen'; Harsta en Chris deden de eindredactie.
Industrieel bouwen, maar traditioneel ontwikkelen
Sinds 2015 groeit het aandeel prefab en geïndustrialiseerde woningbouw, onder meer door houtbouwsystemen, de stikstofcrisis en het tekort aan vakmensen. Er zijn woningfabrieken die samen jaarlijks minstens 15.000 tot 30.000 woningen zouden kunnen leveren, maar die capaciteit wordt lang niet benut. Wat de fabrieken vooral nodig hebben, is continuïteit: een constant productievolume en eenduidige prestatienormen.
De programma's van de afgelopen jaren gaven industriële productie een plek binnen het traditionele ontwikkelproces: industrieel bouwen dus, maar niet industrieel ontwikkelen. Een woningbouwontwikkeling duurt van planvorming tot oplevering gemiddeld tien jaar; industrieel bouwen haalt daar één tot hooguit twee jaar vanaf.
Dat komt omdat het vooral gaat om suboptimalisaties. Het bestaande product wordt met kleine stapjes beter gemaakt. Maar het totale systeem, zeg maar het grote plaatje, blijft buiten beschouwing.
— Chris Aerts
Naar een circulaire waardeketen
Een verandering van het hele systeem kan een gemiddelde ontwikkeling terugbrengen naar drie jaar. Het perspectief is een circulaire waardeketen: een integraal proces van ontwikkeling, bouw en beheer, volledig digitaal en industrieel. Unieke gebouwen worden parametrisch ontworpen met de productiemogelijkheden van fabrieken, robots produceren in eigen of gedeelde fabrieken en ketenpartners delen hun kennis als digitale dienst. Reken je ook de maatschappelijke kosten en baten mee, dan is dat model gunstiger dan het traditionele proces.
Ik verwacht dat architecten, ontwikkelaars en bouwers in de toekomst gaan ontwerpen via de cloud met productiemogelijkheden van aanbieders. Alle partijen in de keten zullen real-time digitaal met elkaar in verbinding staan. Ontwerpvarianten worden gegenereerd en direct gevalideerd.
— Chris Aerts
Volume, robots en een gezamenlijke taal
Fabrieken worstelen met vraag en aanbod: investeringen in robotisering zijn groot en worden alleen gefinancierd als er zekerheid over afname is. Daarom stellen Harsta en Chris een 'industrieel motorblok' voor: bij nieuwbouw, optoppen en transformatie standaard kijken naar industrieel gemaakte concepten, ook voor commercieel vastgoed en scholen. Harsta pleit daarnaast voor een gezamenlijke taal: hetzelfde eindbeeld, dezelfde digitale en industriële bouwstenen, en begrip voor de sociale innovatie die nodig is om het te laten landen.
Chris verwacht dat fabrieken vaker als white-label voor collega's gaan produceren, en dat slimmere robots, tot humanoïde robots aan toe, complexere bouwdelen kunnen maken. Dat vraagt om een digitale en verbonden keten.

Over de auteur
Lynn van Norden
Partner
Met haar achtergrond in psychologie en procesoptimalisatie zorgt Lynn dat digitale transitie ook echt landt op de werkvloer. Zij begeleidt teams met onder andere trainingen, met een scherp oog voor de mens achter de techniek.


